Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 12.12.2019 betreffende de gemeentelijke activeringsheffing 2020 - 2025;
De stad acht het niet wenselijk om gronden die structureel waterziek zijn of die een onaanvaardbaar overstromingsrisico met zich meebrengen fiscaal te activeren. Het is daarom gepast om een vrijstelling te voorzien voor percelen die wegens waterproblematiek onbebouwbaar zijn. Deze vrijstelling sluit aan bij de doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid, op basis waarvan de vergunningverlenende overheid wordt verplicht om schadelijke effecten voor het watersysteem te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren, en desgevallend de vergunning te weigeren.
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
De beslissing van de gemeenteraad van 12.12.2019 betreffende de gemeentelijke activeringsheffing 2020 - 2025, wordt gewijzigd als volgt:
Artikel 1.
Er wordt voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 een gemeentebelasting gevestigd op onbebouwde bouwgronden in woongebied en op de onbebouwde kavels.
Artikel 2.
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Artikel 3.
De belasting is verschuldigd door de persoon die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de bouwgrond of kavel.
Indien er een recht van opstal of erfpacht bestaat, is de belasting verschuldigd door de erfpachter of opstalhouder.
Zo er meerdere belastingplichtigen zijn, zijn deze hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Artikel 4.
§1. Het bedrag van de belasting wordt vastgesteld op minimaal 12,50 euro per strekkende meter lengte van de bouwgrond of kavel palende aan de openbare weg.
De belastbare lengte wordt steeds in volle meter uitgedrukt.
Elk gedeelte van een meter wordt als volle meter beschouwd.
De minimale aanslag bedraagt 125 euro per bouwgrond of kavel.
De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de evolutie van de ABEX-index en stemmen overeen met de index van december 2008. Ze worden jaarlijks op 1 januari aangepast aan het ABEX-indexcijfer van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat.
§2. Indien een perceel paalt aan twee of meer straten zal de grootste perceellengte langsheen één van die straten als berekeningsgrondslag in aanmerking komen. Indien het een hoekperceel betreft, wordt de langste perceellengte evenwijdig met de openbare weg in aanmerking genomen, vermeerderd met de helft van de afgesneden of afgeronde hoek.
Artikel 5.
§1. Zijn van de belasting vrijgesteld:
§2. Een vrijstelling beperkt tot 1 onbebouwde bouwgrond in woongebied of 1 onbebouwde kavel per kind wordt tevens toegekend aan ouders met kinderen die al dan niet ten laste zijn. Deze vrijstelling wordt toegekend indien het kind op 1 januari van het aanslagjaar voldoet aan beide hiernavolgende voorwaarden:
§3. De belasting wordt niet geheven op percelen die voldoen aan de hiernavolgende voorwaarden:
De vrijstelling vermeld in §3 geldt slechts voor een straatbreedte van ten hoogste 30 meter.
Indien de belasting per vierkante meter wordt berekend, wordt de vrijstelling berekend door de vrijgestelde straatbreedte te vermenigvuldigen met de gemiddelde lengte van de onbebouwde bouwgrond in woongebied of de onbebouwde kavel.
§4. De belasting wordt niet geheven op bouwgronden en kavels die tijdens het aanslagjaar niet voor bebouwing kunnen worden bestemd:
§5. Een vrijstelling van belasting wordt verleend aan de houders van een in laatste administratieve aanleg verleende verkavelingsvergunning en dit gedurende 5 jaren te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg, respectievelijk, wanneer de verkaveling werken omvat, vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar van afgifte van het attest, vermeld in artikel 4.2.16 §2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, desgevallend voor die fase van de verkavelingsvergunning waarvoor het attest verleend wordt.
§6. Indien sommige mede-eigenaars krachtens de bovenstaande bepalingen zijn vrijgesteld, wordt de belasting onder de overige mede-eigenaars, in verhouding tot hun deel in het perceel, verrekend.
§7. De belasting wordt niet geheven op bouwgronden en kavels die tijdens het aanslagjaar 2025 niet voor bebouwing kunnen worden bestemd ingevolge een waterproblematiek op de desbetreffende bouwgrond of kavel.
Om te bepalen of een bouwgrond en/of kavel niet voor bebouwing in aanmerking komt wegens een waterproblematiek wordt informatief gekeken naar de volgende waterkaarten zoals vermeld in artikel 8/5 van het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets vermeld in artikel 1.3.1.1 van het gecoördineerde decreet van 15 juni 2018 betreffende het integraal waterbeleid:
De belastingplichtige die zich op de vrijstelling wenst te beroepen, dient zelf te bewijzen dat de waterproblematiek zich in de feiten voordoet en dat de bouwgrond of de kavel ten gevolge hiervan onbebouwbaar is. De kaarten vermeld in het tweede lid zijn daarbij informatief en niet-limitatief. Het ontbreken van een aanduiding op deze kaarten sluit de vrijstelling niet uit, indien de belastingplichtige de waterproblematiek en de daaruit volgende onbebouwbaarheid op andere wijze aantoont.
De vrijstelling wordt per aanslagjaar toegekend en is niet automatisch hernieuwbaar. Een nieuwe aanvraag met actuele bewijsstukken is vereist. Reeds ingediende stukken kunnen hergebruikt worden indien zij de actuele toestand nog representeren.
Artikel 6.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 7.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Artikel 8.
De belastingschuldige kan tegen deze belasting een bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, gemotiveerd en ondertekend zijn.
Het bezwaarschrift kan via een duurzame drager worden ingediend indien het college van burgemeester en schepenen in deze mogelijkheid voorziet.
De indiening van het bezwaarschrift moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet.
Van het bezwaarschrift wordt een ontvangstmelding verstuurd, binnen vijftien kalenderdagen na de indiening ervan.
Artikel 9.
Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het decreet, zijn de bepalingen van titel VII (Vestiging en invordering van de belastingen), hoofdstukken 1 (algemene bepalingen), 3 (onderzoek en controle), 4 (bewijsmiddelen van de administratie), 6 (aanslagtermijnen), 7 tot en met 9bis (rechtsmiddelen, invordering van de belasting waaronder de nalatigheids- en moratoriumintrest, rechten en voorrechten van de schatkist, verjaring van de rechten van de schatkist) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot 175 van het uitvoeringsbesluit van dit Wetboek (betreft o.m. de verjaring en de vervolgingen) van toepassing, voor zover zij met name niet de belastingen op de inkomsten betreffen.