De creatie en aflevering van identiteits-, reis- en mobiliteitsdocumenten komt met een kost. Enerzijds is er de productieprijs van de verschillende stukken die door het gemeentebestuur betaald moet worden aan de hogere overheden. Anderzijds is er de kost van de noodzakelijke apparatuur en de personeelsinzet om het efficiënt uitvoeren van alle taken inzake de behandeling, controle en afgifte van de verschillende documenten mogelijk te maken.
Elke 5 jaar werd de belasting op de afgifte van deze documenten vastgelegd. Wanneer we dit kritisch bekijken, kunnen we voor de kost die het gemeentebestuur aanrekent, niet spreken van een belasting maar van een retributie.
Verder valt er niet steeds een duidelijke lijn te trekken in het percentage van de administratieve kost.
Bovendien is de periode van 5 jaar om deze oefening te maken te lang in het licht van de jaarlijkse verhoging van de prijzen door de FOD Binnenlandse Zaken, FOD Buitenlandse Zaken en FOD Mobiliteit conform de index op de consumptieprijzen. Hierdoor is de actuele prijs van een aantal producten intussen lager dan de productieprijs. De administratieve kost dekt geenszins de personeelsinzet voor de afgifte van deze verschillende documenten, maar het is te vermijden dat het gemeentebestuur de productieprijs (deels) op zich neemt.
De dienst Burgerzaken stelt voor om de retributie voor de identiteits-, reis-, verblijfs- en mobiliteitsdocumenten te berekenen door de productiekost te vermenigvuldigen met een vast percentage. Op basis van een benchmark van de prijzen in naburige gemeenten stelt de dienst voor om de factor van vermenigvuldiging te leggen op 25%, afgerond naar het eerstvolgende hogere veelvoud van 1 euro.
Gezien de productieprijzen jaarlijks veranderen, stelt de dienst Burgerzaken voor, in het kader van administratieve vereenvoudiging, de kennisname van de al dan niet gestegen productieprijzen en de vaststelling van de retributietarieven te delegeren aan het college van burgemeester en schepenen.
Artikel 1 - Grond van heffing
De gemeenteraad heft een gemeentelijke retributie op de afgifte van elektronische en papieren identiteits-, verblijfs-, immatriculatie- en reisdocumenten, evenals op alle types rijbewijzen door de dienst Burgerzaken.
Artikel 2 - Tarief
De gemeenteraad legt de hoogte van de retributie vast op de productieprijs van de voormelde identiteits-, verblijfs-, immatriculatie- en reisdocumenten en rijbewijzen, verhoogd met 25%. Wanneer de Europese, Federale, Vlaamse of Provinciale overheid een bijkomend recht heft bovenop de productieprijs, wordt de som van de productieprijs en het bijkomend recht gebruikt als basis voor het vestigen van de retributie. Het product van deze berekening wordt afgerond naar het eerstvolgende hogere veelvoud van 1 euro.
Artikel 3 - Retributieplichtige
De retributie wordt betaald door de persoon of de rechtspersoon aan wie het stuk door het gemeentebestuur op aanvraag of ambtshalve wordt uitgereikt op het ogenblik van de aanvraag van het administratief stuk of de afdruk van het basisdocument.
Artikel 4 - Delegering jaarlijkse kennisname van de productieprijzen
De gemeenteraad duidt het college van burgemeester en schepenen aan om binnen de principes van artikel 2, jaarlijks en minstens na elke indexering van de tarieven door de hogere overheid, kennis te nemen van de productieprijzen, inclusief de eventuele bijkomende rechten, en om vervolgens de te betalen retributie vast te leggen.
Artikel 5 - inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 oktober 2025.
Artikel 6 - Opheffing bestaande reglementen
Op 1 oktober 2025 worden volgende reglementen opgeeheven: