De gemeente staat in voor de bewaking van de openbare rust, veiligheid, gezondheid en kan alle maatregelen nemen tegen het verstoren van de openbare orde (met inbegrip van overlast), inclusief het nemen van politiemaatregelen.
De gemeente heeft de plicht toe te zien op de veiligheid van haar burgers en inwoners.
De gemeente is zich bewust van de noodzaak van een goed georganiseerd bestuur, hetgeen onder andere betekent dat de gemeente over de nodige reglementen en verordeningen beschikt, waarbij de naleving ervan wordt gehandhaafd.
Het doel van dit reglement is om motorclubs en straatbendes die veelal hiërarchisch zijn gestructureerd, te weren uit de gemeente om de verstoring van de openbare orde, met inbegrip van overlast, die zij veroorzaken, tegen te gaan.
Het is noodzakelijk om de risico’s die de inplanting en de exploitatie van clubhuizen van motorclubs met zich kunnen meebrengen (o.a. het aan- en afrijden van lawaaierige voertuigen, ’s nachts en overdag, wildparkeren, geluidsoverlast, enz.) te controleren ter vrijwaring van de openbare rust en veiligheid. Bovendien kan er met betrekking tot deze inrichtingen een risico op criminaliteit ontstaan.
Ingevolge de bestuurlijke aanpak van criminele motorclubs in Nederland en Duitsland hebben tal van clubhuizen van motorclubs zich gevestigd in België of willen dit doen.
De aangrenzende provincies Limburg en Antwerpen treden reeds bestuurlijk op tegen de vestiging van motorclubs binnen hun gemeenten door het invoeren van reglementen op clubhuizen van motorclubs.
Er is sprake van een verplaatsing van de motorclubs vanuit Nederland en Duitsland naar België, maar ook van een verschuiving tussen de Belgische gemeenten onderling.
Er heerst een historische rivaliteit tussen motorclubs en gelijkaardig georganiseerde, hiërarchisch gestructureerde bendes, hun supportersclubs, leden en sympathisanten.
Zowel in Nederlands Limburg als in de Duitse Deelstaat Nordrein-Westfalen evenals in België hebben recent zware incidenten plaatsgevonden tussen motorclubs, namelijk:
Ook op het grondgebied van enkele gemeenten rondom Aarschot hebben zich al problemen voorgedaan met motorclubs.
Uit de aard en plaats van de bovenvermelde incidenten blijkt dat de leden van criminele motorclubs confrontaties op plaatsen en evenementen - publiek dan wel besloten - niet schuwen en mekaar met wapens bevechten. Het risico op provocatie of confrontatie tussen rivaliserende motorclubs is gezien het huidige spanningsveld in de Euregio zeer reëel.
Een reglement, waarbij een uitbatingsvergunning wordt afgeleverd na een grondig administratief onderzoek, is een waardevol instrument om deze inrichtingen zoveel mogelijk te beheersen en te controleren en hierdoor de openbare orde en het sociaal weefsel te vrijwaren en te garanderen.
De gemeente kan door dit reglement tegemoetkomen aan de wendbaarheid van criminelen die steeds veranderen van locatie en handelswijze omdat ze zoeken naar de minste weerstand om hun praktijken te ontplooien.
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSOMSCHRIJVING
Artikel 1
Voor de toepassing van het politiereglement wordt verstaan onder:
HOOFDSTUK 2. TOEPASSINGSGEBIED
Artikel 2. De inrichtingen die een uitbatingsvergunning vereisen
§1.De bepalingen van dit reglement zijn van toepassing op volgende publiek toegankelijke inrichting(en):
§2. Elke uitbater van de inrichtingen vermeld in §1 op het grondgebied van de gemeente Aarschot moet voor het openen, het openhouden of het heropenen van de inrichting in het bezit zijn van een geldige uitbatingsvergunning. Het is verboden om op het grondgebied van de gemeente zonder vergunning een clubhuis van een motorclub uit te baten.
§3. Dit reglement doet geen afbreuk aan andere regelgeving van toepassing op de publiek toegankelijke inrichting.
HOOFDSTUK 3. PROCEDURE
Artikel 3. De aanvraag
§1. Voor het verkrijgen van een uitbatingsvergunning dient de uitbater een gemotiveerde aanvraag in bij de burgemeester.
§2. De vergunningsaanvraag verloopt in 2 stappen:
Stap 1 betreft de algemene aanvraag en bestaat minstens uit
Op basis van deze stukken vraagt de burgemeester een advies aan de politie en eventueel aan andere diensten.
Zij adviseren de burgemeester om:
In geval stap 2 van toepassing is, zal de burgemeester bij de aanvrager volgende bijkomende stukken opvragen:
Artikel 4. Ontvankelijkheid van de aanvraag
§1. De aanvraag is onvolledig wanneer de informatie en/of de documenten, vermeld in artikel 3 ontbreken. De aanvrager beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen beginnend op de eerstvolgende dag na mededeling van de onvolledigheid, om ontbrekende informatie en/of documenten in te dienen. Zo niet, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard.
§2. De burgemeester kan beslissen dat nader te bepalen relevante documenten moeten overhandigd worden ter beoordeling van de uitbatingsvergunningaanvraag. Indien de documenten niet binnen een termijn van 30 kalenderdagen beginnend op de eerstvolgende dag na de mededeling van dit verzoek worden aangeleverd, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard.
§3. De aanvraag is onontvankelijk wanneer op de plaats van aanvraag de functie stedenbouwkundig onverenigbaar is met de bestemmingszone.
§4. Een nieuwe aanvraag van dezelfde uitbater, voor dezelfde plaats én voor dezelfde soort inrichting, volgend op een onontvankelijke aanvraag, kan ten vroegste zes maanden na de datum vermeld in de onontvankelijkheidsbeslissing worden ingediend, op straffe van onontvankelijkheid.
Artikel 5. Ten gronde
§1. Na de melding van een ontvankelijke aanvraag, volgen de onderzoeken zoals vermeld in hoofdstuk 4.
§2. Binnen een termijn van 90 werkdagen beginnend op de eerstvolgende dag na de melding van een ontvankelijke en volledige aanvraag, wordt de beslissing vermeld in hoofdstuk 5 genomen. Indien gerechtvaardigd door de complexiteit van het dossier, mag deze termijn éénmaal worden verlengd met maximaal dezelfde duur.
§3. Wanneer er geen beslissing wordt genomen binnen 90 werkdagen, of indien van toepassing 180 werkdagen bij complexe dossiers, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.
Artikel 6. Geldigheid van de uitbatingsvergunning
§1. De uitbatingsvergunning is geldig te rekenen vanaf de datum die vermeld wordt in de vergunning of bij gebrek hieraan vanaf de ondertekening door de burgemeester.
§2. De uitbatingsvergunning wordt afgeleverd aan de uitbater vermeld in de ontvankelijke aanvraag voor een welbepaalde vestigingseenheid. De vergunning kan niet worden overgedragen aan een andere uitbater of naar een andere vestigingseenheid.
§3. Voor eenzelfde vestigingseenheid kan slechts één uitbatingsvergunning aangevraagd en afgeleverd worden voor éénzelfde clubhuis binnen dezelfde periode.
§4. Bij iedere wijziging van vestigingseenheid of wijziging met betrekking tot de uitbater dient er een nieuwe uitbatingsvergunning aangevraagd te worden. In de volgende gevallen is er sprake van een wijziging met betrekking tot de uitbater:
§5. De uitbater is verplicht alle wijzigingen in het clubhuis die een verandering uitmaken ten opzichte van de veiligheid, en alle wijzigingen van gegevens opgegeven in de aanvraag, met inbegrip van elke bestemmingswijziging, uiterlijk binnen de 10 werkdagen schriftelijk te melden aan de burgemeester. De uitbater is verplicht te melden aan de burgemeester wanneer zijn inrichting definitief sluit.
§6. De uitbatingsvergunning moet zichtbaar aangebracht worden aan de inrichting, zodat ze leesbaar is vanop de openbare ruimte. De vergunning moet bovendien steeds ter inzage liggen van de politie of een bevoegd controlerend ambtenaar.
§7. De burgemeester kan beslissen om de uitbatingsvergunning te beperken in de tijd en/of bijkomende voorwaarden te koppelen aan de vergunning.
§8. Dit reglement en in het bijzonder de uitbatingsvoorwaarden vermeld in hoofdstuk 4 en in de vergunning dienen nageleefd te worden zolang de uitbating duurt. De vergunning kan worden geschorst of opgeheven overeenkomstig hoofdstuk 7 van dit reglement met betrekking tot de administratieve sancties en maatregelen. Een nieuwe aanvraag van dezelfde uitbater, voor dezelfde plaats en voor dezelfde soort inrichting volgend op een opgeheven uitbatingsvergunning, kan ten vroegste 6 maanden na de datum vermeld in de beslissing tot opheffing ingediend worden, op straffe van onontvankelijkheid.
§9. De politie of controlerend ambtenaar kan te allen tijde een of meerdere geactualiseerde documenten opvragen die overeenkomstig artikel 3 aan de aanvraag toegevoegd moeten worden. De uitbater is ertoe gehouden deze documenten uiterlijk binnen 10 werkdagen aan de politie of controlerend ambtenaar te bezorgen, waarbij de termijn een aanvang neemt op de eerstvolgende dag na de mededeling van het verzoek tot actualisatie.
HOOFDSTUK 4. UITBATINGSVOORWAARDEN
AFDELING 1. ADMINISTRATIEF ONDERZOEK
Artikel 7. Voorafgaand administratief onderzoek
§1. Na de melding van een ontvankelijke aanvraag, volgt het administratief onderzoek. De uitbatingsvergunning kan enkel worden toegekend na een voorafgaandelijk administratief onderzoek dat gunstig wordt bevonden.
Dit voorafgaandelijk administratief onderzoek omvat volgende componenten:
§2. Het administratief onderzoek wordt verricht door de gemeente, de politie en de daartoe bevoegde externe diensten. De burgemeester kan steeds alle nuttige inlichtingen (laten) inwinnen.
§3. Het resultaat van deze onderzoeken wordt overgemaakt aan de burgemeester.
§4. De vereiste van een gunstige beoordeling van het administratief onderzoek geldt gedurende de ganse duur van de uitbating. Een negatieve beoordeling van één van deze onderzoeken tijdens de uitbating kan een schorsing of opheffing van de uitbatingsvergunning of een sluiting van de inrichting, overeenkomstig hoofdstuk 7 van dit reglement, tot gevolg hebben.
Artikel 8. Moraliteitsonderzoek
§1. Het moraliteitsonderzoek bestaat uit een onderzoek naar de administratieve, politionele en gerechtelijke antecedenten die relevant zijn voor het uitbaten van een clubhuis van een motorclub.
§2. Het moraliteitsonderzoek wordt, al naargelang het geval, uitgevoerd op de voor het publiek toegankelijke inrichting, op de uitbater, op de organen en/of vertegenwoordigers van de uitbater en op de natuurlijke personen die in feite belast zijn met de uitbating. Het moraliteitsonderzoek wordt in voorkomend geval ook uitgevoerd op de personen vermeld in de ledenlijst.
§3. Voor andere personen die, in welke hoedanigheid ook, deelnemen of zullen deelnemen aan de exploitatie van de inrichting, dient de uitbater te verklaren dat niemand van hen valt onder de hieronder vermelde weigeringsgronden.
§4. Het moraliteitsonderzoek wordt gevraagd aan en verricht door de politie of de daartoe bevoegde diensten.
§5. De burgemeester kan steeds alle nuttige inlichtingen inwinnen bij de politie of andere bevoegde diensten en beslist discretionair of het resultaat van het moraliteitsonderzoek zwaarwichtig genoeg is om de vergunning al dan niet te weigeren of op te heffen waarbij hij steeds het gevaar voor de openbare orde voor ogen zal houden.
AFDELING 2. UITBATINGSVOORWAARDEN
Artikel 9. Algemene verplichtingen
§1. Alle voorwaarden en verplichtingen opgenomen in dit reglement en in de vergunning zelf moeten steeds nageleefd worden zolang de uitbating duurt.
§2. De uitbatingsvergunning, de voor de inrichting vereiste attesten en het brandweerverslag dienen steeds aanwezig te zijn in de inrichting en moeten steeds op het eerste verzoek van een bevoegde controlerende ambtenaar ter inzage worden voorgelegd.
Artikel 10. Hygiëne en gezondheid
§1. Alle ruimtes, en de voorwerpen in de inrichting, moeten beantwoorden aan de in het dagelijks leven als normaal ervaren normen voor frisheid, netheid en hygiëne (vb. proper vloeroppervlak, proper materiaal, regelmatig verwijderen van afval). De gezondheid van de gebruikers en de openbare gezondheid mogen nooit gevaar lopen.
§2. Er moeten voldoende hulpmiddelen en voorzieningen aanwezig zijn die de frisheid, netheid en hygiëne garanderen.
§3. In het bijzonder moet in de inrichting minstens aanwezig zijn:
Artikel 11. Onderhoud
De uitbater staat, desgevallend in samenspraak met de eigenaar, in voor alle herstellingen en onderhoudswerken, van welke aard of oorzaak ook, met inbegrip van deze ingegeven door overmacht, slijtage, ouderdom, normaal gebruik en verborgen gebreken.
Artikel 12. Nutsvoorzieningen
De ruimtes die betrokken zijn bij de uitbating van de inrichting, de technische installaties voor nutsvoorzieningen en andere inrichtingselementen:
Artikel 13. Toegang tot de inrichting
§1. Tijdens de uitbating van de inrichting moet minstens één toegangsdeur van de inrichting en alle ruimtes in de inrichting onmiddellijk, zowel van binnen als van buiten, zonder tussenkomst van een derde geopend kunnen worden, met het oog op controle.
§2. Het is verboden om ramen van de inrichting, die zichtbaar zijn op de openbare weg, tijdens de uitbating ondoorzichtig te maken of voorwerpen te plaatsen zodat de inkijk ernstig bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt wordt (bv. door het gebruik van folie, gekleurd of ondoorzichtig glas, posters, schermen enz.).
§3. De uitbater verleent te allen tijde toegang aan reguliere hulpverlening.
Artikel 14. Aansprakelijkheidsverzekering
De uitbater van een inrichting is verplicht de burgerlijke en professionele aansprakelijkheid van alle personen die, ongeacht hun arbeidsstatuut, werken in de inrichting, te allen tijde te verzekeren door een verzekeringsmaatschappij, die gerechtigd is om verzekeringspraktijken te voeren in België.
Artikel 15. Camerabewaking
Indien camerabewaking opgelegd is als voorwaarde in de uitbatingsvergunning, moet de uitbater of zijn aangestelde tijdens het openhouden van het clubhuis minstens één bewakingscamera in werking hebben die duidelijk herkenbare beelden opneemt van iedere toekomende bezoeker. Een automatische tijdsregistratie is hierbij verplicht.
De regelgeving inzake camerabewaking is integraal van toepassing.
Artikel 16. Ledenlijst
§1. De uitbater dient een ledenlijst bij te houden met vermelding van naam, voornaam, roepnaam of alias, geboortedatum, rijksregisternummer.
§2. Op eerste verzoek van de lokale politie of de gemeente dient de uitbater de volledige en actuele ledenlijsten gedurende de laatste 6 maanden te overhandigen.
HOOFDSTUK 5. BESLISSING
Artikel 17.
§1. Op basis van de hogervermelde onderzoeken kan de burgemeester beslissen om:
§2. De burgemeester kan de uitbatingsvergunning weigeren als:
§3. Een nieuwe aanvraag van dezelfde uitbater en voor dezelfde vestigingseenheid, volgend op een geweigerde aanvraag, kan ten vroegste 6 maanden na de datum vermeld in de weigeringsbeslissing worden ingediend, op straffe van onontvankelijkheid.
HOOFDSTUK 6. VERVAL VAN DE VERGUNNING
Artikel 18.
De uitbatingsvergunning vervalt van rechtswege:
Een nieuwe aanvraag van dezelfde uitbater, voor dezelfde plaats én voor dezelfde soort inrichting, nadat de uitbatingsvergunning van rechtswege vervallen is, kan ten vroegste 6 maanden na de datum van het verval worden ingediend, op straffe van onontvankelijkheid.
HOOFDSTUK 7. SANCTIES
Artikel 19.
§1. Voor zover wetten, decreten, besluiten, algemene of provinciale verordeningen geen andere straffen voorzien, kan elke overtreding van dit reglement worden bestraft met een gemeentelijke administratieve sanctie overeenkomstig de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (BS 1 juli 2013):
Aan de sancties opgelegd door het college gaat een waarschuwing van de overtreder vooraf.
De sancties opgelegd door het college worden door de politie betekend en/of met een aangetekende brief ter kennis gebracht aan de overtreder.
§2. Onverminderd het voorgaande, kan de politie bij vaststelling van uitbating zonder uitbatingsvergunning de inrichting onmiddellijk en ter plaatse sluiten.
HOOFDSTUK 8. BEKENDMAKING EN INWERKINGTREDING
Artikel 20. Bekendmaking
§1. Dit reglement zal bekendgemaakt worden overeenkomstig de artikelen 285 - 287 van het decreet lokaal bestuur.
§2. Afschrift van dit reglement zal, conform artikel 40 decreet lokaal bestuur, worden verzonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan de politierechtbank te Leuven.
Artikel 21. Inwerkingtreding
Dit reglement treedt onmiddellijk in werking.